En toen vlogen we van Kuala Lumpur naar Cambodja. Aan het eind van de middag stapten we in Phnom Penh in een tuktuk naar ons hostel. Weer een geheel nieuwe omgeving. In het oranje licht van de ondergaande zon reden we door de stad en de eerste indruk was goed. De Cambodjanen houden van ontspanning, als ze niet buiten aan het sporten zijn lopen ze lekker in hun pyjama rond. Phnom Penh was veel mooier en sfeervoller dan we hadden verwacht. Huisjes in Franse stijl en gezellige restaurantjes in plaats van eten onder een tl-bak. Dat was wel weer fijn.
Het indrukwekkendste wat we hier hebben bezocht waren de S-21 gevangenis en de killing fields van de Khmer Rouge. Ik zal niet te lang ingaan op deze ongezelligheid, maar ik zal wel zeggen dat als je daar staat bij een boom waar baby’s tegen werden doodgeslagen om vervolgens in een vloeiende beweging in het massagraf geslingerd te worden draait je maag wel even om.
Door naar leukere dingen. In Phnom Penh gebeurde ook nog een wonder. Daan werd ziek terwijl ik mij kiplekker voelde! Ok, ook niet echt leuk, maar wel bijzonder. Toen ging ik in mijn eentje de stad in om te gaan eten en dan blijken die kleine Cambodjaanse mannetjes opeens een stuk mondiger te zijn. Stelletje smooth talkers!
Vanuit Phnom Penh hebben we de (karaoke)bus gepakt naar Siem Reap, een gezellig stadje en dé uitvalsbasis voor de tempels van Angkor. Ten eerste een heel leuk guesthouse gevonden. Het personeel deed super zijn best met als hoogtepunt een jongen die als je hem ‘s ochtends vroeg bij het ontbijt per ongeluk even aankeek meteen op je afgestormd kwam “CAN I HELP YOU?!?!”. En ‘s avonds als je terugkwam was de “turn-down service” geweest. Dan is je deken vast teruggeslagen, en liggen er een paar koffiesnoepjes en een bed-time story voor je klaar. Een slecht vertaald Cambodjaans verhaal waarbij de moraal van het verhaal voor als je het nog niet begrepen had nog even in een paar bullet points aan het einde herhaald werd. Hilarisch! Dit was misschien wel het leukste guesthouse waar we tot nu toe geslapen hebben.
Maar goed, we kwamen natuurlijk voor de tempels. Drie dagen lang hebben we met onze eigen tuktuk-driver de tempels verkend. Prachtig! Vooral de tempels die helemaal door de jungle ingelijfd zijn waren super om te zien. Een inspirerende plek waar iemand dan ook een mooie boodschap had achtergelaten (zie foto’s). De verkopers waren ook een belevenis, en leken alleen mij als potentiële klant te zien. Om de haverklap kwam er weer een op me afgestormd met een “Yes ladiieee, you buy cold drink? If you buy, you buy from me, yes?” of een “Hello ladiieee, good luck bracelet for you, yes?”. De “Ten postcards one dollaa, one, toe, tie, foo, fy, sik, seben, ait, nein, ten, yes” was ook favoriet. Maar de knaller was wel: “You have to buy! Is only one dollaaa!! You make me cry!!! NEVER FORGET YOU MAKE ME CRY!!!”. We zullen deze kleine vijfjarige inderdaad niet snel vergeten. Al dat tempelen was uiteraard wel erg vermoeiend dus tussendoor ook nog een dag gerelaxt met massages. Dit was gewoon op onze kamer wat ik ietwat ongemakkelijk vond. En toen ze op een gegeven moment wel erg dicht bij mijn kruis kwam dacht ik even, oh help, dit is toch niet zo’n happy-end geval? Maar het bleef helemaal kuis en ik heb uiteindelijk toch nog wat kunnen ontspannen. Onze voeten hebben we getrakteerd op een vismassage waarbij kleine visjes de dode huid wegeten. Alhoewel, getrakteerd. Ze beten af en toe best hard en bij Daan hadden ze zelfs een wondje opengebeten tot bloedens toe.
Hierna met de bus naar onze derde en laatste bestemming in Cambodja. Zelfs op een reis van bijna zeven maanden bestaat er namelijk zoiets als tijdgebrek en aangezien we met onze anti-malaria medicatie waren gestopt wilden we de malariagebieden tot een minimum beperken, vandaar. Dus naar Battambang want dit ligt wel nog in veilig gebied. Weer een leuk stadje met Franse huisjes en gezellige restaurantjes. Hier hebben we een tour gemaakt met een jongen die zichzelf Dollar noemt en probeert naam te maken met zijn bedrijfje “Dollar tours”. Een prachtig goud gespoten tuktuk en hij deed bijzonder zijn best. Eerst naar de bambootrain. Dit treintje werd vroeger gebruikt door de locals en bestaat uit een rieten platformpje en twee assen met wielen en een motortje zodat deze snel van het spoor gehaald kan worden zodra er een echte trein aankomt. Dus wij met de bambootrain. Eerst geld betalen aan een bijzonder enge man die me niet echt een ‘eerlijk zullen we alles delen’ vibe gaf. En toen met luid kabaal door het mooie landschap rijden. Dit was erg leuk maar dan kom je bij één of ander dorpje uit zodat je contact met de dorpelingen kan hebben. Hier kan ik nooit zo goed tegen. Je wordt meteen meegesleurd naar een tentje en krijgt allerlei eten in je handen geduwd. Toch maar een colaatje kopen dan ook al heb je water bij je. En dan zit je daar een tijdje schaapachtig naar elkaar te lachen omdat je elkaars taal niet spreekt. De meeste toeristen vinden dat prachtig: “oh zo leuk authentiek, echt contact met de échte Cambodjanen en ze zijn zóóó vriendelijk”. Ik word er altijd een beetje ongemakkelijk van en vind het maar een poppenkast. Gelukkig waren er twee grappige jongetjes bij die een beetje Engels konden dus vooral daar maar leuk mee gedaan. Op de terugweg hadden we zowaar een aantal tegenliggers en dus afgestapt en treintje uit elkaar gehaald, zo leuk authentiek! ;-) Na de bambootrain nam Dollar ons mee naar een tempel op een berg waar we vooral genoten hebben van een prachtige zonsondergang en gepraat hebben over de ervaringen van zijn familie ten tijde van de Khmer Rouge. Heftig. Ten slotte reden we in het donker in zijn tuktuk terug naar de stad met een bijzonder grote, oranje volle maan aan de hemel.